De huidige Wmo-werkplaatsen moeten de kans krijgen zich door te ontwikkelen naar brede regionale kennisnetwerken die het gehele sociale domein bestrijken. Ook het landelijk kennisnetwerk heeft aanpassing nodig. De samenwerkende gemeenten (VNG) en de branche- en beroepsorganisaties zouden meer invloed moeten krijgen op het werkprogramma. Dat staat in de notitie ‘Regionale kennisnetwerken in het sociale domein’ van de gezamenlijke Wmo-werkplaatsen van december 2014. Theo Roes, voorzitter van het Overleg Wmo-werkplaatsen, licht toe.

1. Waarom ligt er nu een notitie?

“Dit jaar loopt de huidige financiering van de Wmo-werkplaatsen af. Dat roept de vraag op hoe in de komende jaren de kennisinfrastructuur voor sociaal werkers eruit komt te zien. De Gezondheidsraad heeft hierover het advies Sociaal werk op solide basis uitgebracht. In september zal het kabinet een regeringsstandpunt bepalen. Met onze notitie sluiten we aan bij het advies van de Gezondheidsraad en schetsen we een mogelijke toekomst van de werkplaatsen. Komende maanden gaan we met de VNG, de hogescholen en uiteraard het ministerie van VWS om de tafel om te bespreken wat we in 2016 per regio gaan doen. Voor de herfst moet het toekomstplaatje helder zijn.”

2. Wat wil de Gezondheidsraad?

“De Gezondheidsraad wil een sterke regionale kennisinfrastructuur ter ondersteuning van het werk van de professional in het sociale domein. Hogescholen, universiteiten en beroepsorganisaties gaan hierbij nauw samenwerken met gemeenten en uitvoerende organisaties. De raad stelt dat het kennissysteem voor de sociaal werker zal moeten bestaan uit twee onderling verbonden kennisnetwerken: een landelijk dekkend systeem van regionale kennisnetwerken en een landelijk kennisnetwerk.”

3. Wat betekent dit voor de Wmo-werkplaatsen?

“De Wmo-werkplaatsen kunnen zich betrekkelijk eenvoudig doorontwikkelen tot regionale kennisnetwerken die gemeenten en instellingen ondersteunen. De Wmo-werkplaatsen zijn nu al goede samenwerkingsverbanden. Ze zijn bestuurlijk verankerd, kennen een eigen regionale agenda, hebben een organisatie voor de uitvoering van praktijkonderzoek en -ontwikkeling, opleiding en ondersteuning en leveren bijdragen aan het onderwijsprogramma. Door zich te verbreden kunnen zij het hele brede terrein van participatie, jeugdzorg en Wmo bestrijken. Daarnaast dient het aantal deelnemende gemeenten en instellingen te worden uitgebreid.”

4. Wat is hier concreet voor nodig?

“Allereerst zullen partijen in de regio urgente sociale vraagstukken identificeren en met elkaar een gemeenschappelijke visie ontwikkelen op de aard en kwaliteit van de dienstverlening. Op basis hiervan moet een regionale kennisagenda opgesteld. Om zo’n agenda te kunnen uitvoeren, zijn een stevige bestuurlijke organisatie en meerjarige financiering nodig. Gemeenten gaan in zeer belangrijke mate de regionale agenda bepalen. Ze zijn immers verantwoordelijk voor beleid en financiering in het sociale domein. Mijn advies aan gemeenten is: ga nu al om de tafel met de hogescholen en universiteiten en instellingen in de regio. Kijk met elkaar waar de komende jaren kennis en innovatie nodig is.“

5. Hoe is de relatie met landelijke kennisinstituten?

“Er is een goede aansluiting op het landelijk kennisnetwerk nodig. Het huidige landelijk netwerk bestaat uit een aantal kennisinstituten die in meerdere of mindere mate samenwerken. Ik zie een veel meer geïntegreerd kennisnetwerk voor me waarin instituten zoals Movisie, Vilans en het Nederlands Jeugdinstituut participeren, alsook gespecialiseerde kenniscentra, zoals academische werkplaatsen. Dit netwerk wordt gevoed via enerzijds de regionale netwerken en anderzijds via de VNG, de betrokken rijksdepartementen en de landelijke branche- en beroepsorganisaties. Zowel via de regio als in het landelijke circuit zullen gemeenten een zeer belangrijke rol spelen.”

6. En de hogescholen?

“Ja, het is natuurlijk zonneklaar dat hogescholen en hun lectoraten belangrijk zijn voor de kennisontwikkeling en professionalisering in de regio. Instellingen en gemeenten kunnen kennis mobiliseren en krijgen directe ondersteuning om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Omgekeerd krijgen lectoren, docenten en studenten via de formule van de werkplaats rechtstreeks toegang tot de praktijk. Op deze manier kunnen de hogescholen het onderwijs aanbieden waaraan in de regio behoefte is. Dat zal niet heel sterk per regio verschillen maar die regionale inkleuring is wel nodig. Verder vind ik het belangrijk dat er meer ‘action learning’ komt, dus leren door te doen. Gemeenten sturen mensen op cursus en dat is mooi maar het is niet meer dan een start. Daarna is er begeleiding, intervisie en reflectie nodig.”

7. Wie gaat dit alles betalen?

“Zo’n regionaal kennisnetwerk vraagt om een bestuurlijke en financiële investering van gemeenten, instellingen en hogescholen gezamenlijk. Er is een meerjarige basisfinanciering nodig zodat het netwerk zijn functies voor langere tijd kan uitvoeren. Een landelijke subsidieregeling van het Rijk en de VNG kan de ontwikkeling van regionale kennisnetwerken stimuleren.”

Lees de notitie Regionale kennisnetwerken in het sociale domein.

Vorm, inhoud en relaties

De Werkplaatsen hebben drie kenmerkende krachtlijnen: vorm, inhoud, en relaties. Het samenspel tussen deze drie is cruciaal.

Meedoen

Houdt uw hogeschool of lectoraat zich ook actief bezig met innovatie en evaluatie van werkvormen voor de sector zorg en welzijn? Lees dan snel hoe u bij de Werkplaatsen Sociaal Domein kunt aansluiten.  

Nieuwsbrief